De maskergoudvink (Pyrrhula erythaca erythaca)


Inleiding:

De maskergoudvink heeft bij mijn weten twee ondersoorten, de P.e.wilderi en de P.e.owstoni.
De nominaat vorm heeft een lengte van zo’n 15 cm en komt voor in delen van de Himalaya, China en Taiwan. De man heeft net zoals de pop een zwart masker om het oog. Beide hebben een zwarte snavel, zwarte vleugel en staartpennen, waarover ze in de broedtijd een iriserende glans hebben. Bij de staart zijn ook witte vlekken te zien. De man heeft helder witte vlekken in de vleugels, bij de pop echter zijn deze vlekken meer bruinachtig. Achter het masker is bij beide vogels een witte rand te vinden welke over gaat in een grijze kopkleur welke het mooist tot uiting komt bij de man. De pop is verder overwegend bruin en heeft een witte aarsstreek. De man heeft een oranje rode borst welke doorloopt tot aan de inplant van de poten en van daar is de man wit tot aan de onderkant van zijn staart. De kleur van de man gaat in gevangenschap achteruit en als men dan geen kleurstof geeft zal de buik geelachtig worden. In de natuur is het een schuwe vogel welke te vinden is in de nu nog talrijke bossen en wouden.

De vogels maken een nest wat goed verborgen ligt in struiken of bomen en deze nesten zijn te vinden van zo’n 1 tot 3 meter hoog. Het nest is gevlochten van dunne twijgjes en allerlei andere plantaardige delen.
In het nest worden in totaal drie eitjes gelegd en bij uitzondering wordt er nog een vierde bijgelegd. De jongen worden uitgebroed in 12 tot 14 dagen en na nog eens zo’n periode vliegen de jongen uit. De jongen worden nog enige tijd daarna gevoerd door de ouders. Een tweede nest wordt gemaakt als de omstandigheden waarin de vogels zitten ideaal is.
De vogels zijn in hoofdzaak zaadeters, maar voor een besje of een lekker dierlijk hapje halen zij hun snavels ook niet op. In de natuur worden de jongen de eerste dagen met dierlijk voedsel gevoerd wat langzaam overgaat naar besjes, knopjes en zaad. Als de broedtijd erop zit dan vormen de oudere vogels en jongen grote groepen en deze vallen als de broedtijd aanbreekt weer uiteen.

Beide vogels waren import en na aankoop (september) werden ze meteen buiten in de volière geplaatst. De volière was een zogenaamde kweekbox met de afmetingen van 2,3 m diep x 1,25m breed en 2 m hoog,welke aangekleed was met één dikke conifeer die in een kuip stond welke was ingestort in het beton. Op 31 mei begon het koppel de eerste tekenen van genegenheid voor elkaar te laten zien. De man liet zijn gebrabbel en zang veelvuldig horen en er werd met regelmaat gebekt en soms ging dit ook gepaard met voedseloverdracht. Op 28 juni zie ik een paring die vrij lang duurde en na deze daad werd er een duetje gefloten door deze vogels. Op 2 juli zie ik zowel de man als de pop met kokosvezel in de bek. De man is de aanwijzer en laat een strootje vallen in het goudvink kapelkastje met daarin een touwnestje wat bevestigd was aan een staaldraad kommetje. De pop maakte van kokosvezel een gedraaid nestje zonder de hulp van de man. Het nest was af op 5 juli.

Het eerste ei werd op 6 juli gelegd in de avond en dit ei heb ik meteen geraapt en vervangen door een kunstei. Op 9 juli was het derde en laatste ei gelegd en alle eieren werden dan ook gelijk gezet. De eieren waren vuil wit van kleur met daarop rood/bruine spatjes gelijkend op de eieren van onze inheemse goudvink.
Op 21 juli komen de 3 eitjes uit. De jongen zijn dan licht roze van kleur. Het aangeboden voer wat bestond uit goudvink mengeling met daarbij witte meelwormen en pinky’s, werd nu aangevuld met eivoer wat ze al ver voor het broedseizoen hebben leren eten. Wat ik ook heb gegeven waren zakken vol met paardenbloem knoppen maar ook de gehele plant werd gegeven. Het paardenbloemzaad vond gretig aftrek tesamen met de witte meelwormen gedurende de eerste 5 dagen en daarna werd ook eivoer en zaad aan de jongen gevoerd. Op een leeftijd van 5 dagen heb ik de drie jongen geringd met een 2,9mm ring die was voorzien van een ventiel slangetje. Zowel de man als de pop voeren fantastisch en de krop van de jongen zitten barstens vol met voer. Dit fenomeen is voor een kweker die hoofdzakelijk insecteneters kweekt elke keer weer een rare gewaarwording, daar de krop van de insecteneters nooit vol zit.
Op 5 augustus zitten de jongen op de nestrand en tegen de avond waren ze daadwerkelijk uitgevlogen. De jongen zijn nu bruin van kleur met een klein zwart maskertje, de vleugel en staartpennen zijn zwart. Het staartje is echter nog niet volgroeid.
De man voert nu de jongen alleen en tussen het voeren door vind hij ook nog de tijd om de pop het hof te maken en met haar te paren.

De tweede ronde start op 9 augustus met het eerste ei wat was gelegd in het oude nest welke nog brandschoon was na de eerste ronde. Op de foto zijn de eieren te zien van de tweede ronde en als u goed kijkt ziet u alleen vuil op het stokje voor de nestrand, dit kwam om dat de vogels een dumpplek hadden voor de ontlasting van de jongen,daarbij kwam er vuil aan de poten van de oudervogels te zitten,dit was toch een bron van ongerustheid want hiermee kon natuurlijk ook eventueel een besmetting mee naar het nest gedragen worden,echter het was een ongegronde ongerustheid,alles verliep perfect. Ronde twee resulteerde weer in drie eieren die allemaal uitkwamen op 25 augustus. De jongen werden op 29 augustus geringd. Voor mijn gevoel werd het allemaal veel te laat in het broedseizoen en ik verwachtte een ommekeer in deze zeldzaam mooie zomer. Aangezien de jongen er al waren besloot ik om het nest en de oudervogels in een binnen broedkooi onder te brengen welke de afmetingen had van ongeveer 1 meter breed 50cm diep en 60cm hoog. Om zo te proberen deze ronde ook groot te krijgen. Mijn gevoel en de teletekst berichten waren juist geweest want het weer sloeg om en het werd nat in Nederland, maar de jonge maskertjes zaten lekker droog en kwamen allen tot volledig wasdom. Van dit laatste nest had ik een pop aangehouden om te proberen in het hierop volgende broedseizoen de maskergoudvink alleen in de broedkooi te kweken. De oudervogels en de overige jongen gingen naar een goede kennis welke inmiddels een goede vriend is geworden. De e.k. pop die bij mij thuis in de broedkooi was uitgevlogen maar eigenlijk in de buitenvolière is geboren, heeft nooit in een andere kooi of vlucht meer gezeten, dus wist niet beter dan de kooi waar zij op dat moment in verbleef. De pop kreeg een import man als partner en samen hebben ze twee nesten groot gekregen wat resulteerde in 5 jongen. Over een periode van twee broedseizoenen heb ik dus uit twee koppels 11 jongen gekregen welke geboren werden zowel in de buiten volière als in de broedkooi binnen.

De vogels die bij mijn maatje zaten hebben last gekregen van ziekte verschijnselen die we hebben geprobeerd te bestrijden met esb3 e.d. waarschijnlijk waren de vogels die aangekocht werden, die allen uit import vogels bestonden, al ziek van hun gemaakte reis en hij verloor hierdoor alle import vogels en enkele door mij gekweekte vogels. De oude vogels en de gekweekte vogels hadden bij mij nooit medicatie of voedingssupplementen gekregen, want dit was juist de reden geweest waarom ik in het verleden gestopt was met de kweek van o.a. putters, goudvinken en groenlingen. Ikzelf vond het gewoonweg niet leuk meer om de vogels “preventief” te kuren. Mede door dit gegeven ben ik nagenoeg totaal overgestapt op de in en uitheemse V.I. vogels. Wat ik u niet wil onthouden is het volgende, de import van maskergoudvinken staat eigenlijk stil en ik denk ook dat in de toekomst niet of nauwelijks meer importen zullen plaatsvinden met alle perikelen die we vandaag de dag meemaken. Probeer zoveel als mogelijk met dit soort vogels te kweken ,het is echt niet zoveel moeilijker dan de inheemse soorten, inmiddels is het mij ook al gelukt om te kweken met de Nepal en Roodwang goudvink. Deze soorten vogels verdienen naar mijn mening een plekje in onze hobby. Voor mij zijn deze vogelsoorten verleden tijd, want ik ben op zoek gegaan naar een voor mij weer nieuwe uitdaging.

Tekst: Arie Bakker te Dordrecht
Foto’s: Jan de Nijs en Piet Onderdelinden, familie Bakker.