In de bevedering van grasparkieten treffen we twee typen geel psittacine aan.
1. Gewoon geel psittacine wat bij alle papegaaien voorkomt;
2. Een type psittacine wat onder ultraviolet licht oplicht, ergo fluorescentie
vertoont.

Het onder 2 genoemde fluorescerende gele pigment schijnt alleen bij sommige Australische parkieten voor te komen, waaronder de grasparkiet. Het wordt in elk geval niet aangetroffen bij lori’s, agaporniden en bij de meeste Zuid-Amerikaanse soorten.
De scheikundige formules van deze biochemische afgeleiden van carotenoïde zijn niet bekend, voor de grasparkietfokker ook niet van belang, immers geel is geel.
Wel van groot belang is het feit dat de omzettingen in het vogellichaam van de via voedsel opgenomen carotenoïden in twee typen psittacine geschiedt door enzymen, die door verschillende erfelijke factoren aangestuurd en beheerst worden.

De psittacinemutaties bij grasparkieten kunnen we als volgt onderverdelen:
a. mutaties die de vorming van psittacine beletten;
b. mutaties die het psittacine reduceren;

Psittacinebeletting
Volledige psittacinebeletting in de baarden en haakjes resulteert bij alle papegaaiachtigen met een groene lichaamsbevedering in blauw. Door het totaal ontbreken van psittacine in de baarden van de lichaamsbevedering treden de blauwe lichtgolven, die in de sponszone door interferentie ontstaan, door een kleurloze cortex weer naar buiten met als gevolg een optisch blauwe kleur. Wat we zien is dus de zuivere structuurkleur blauw.
Bij de grasparkiet kennen we twee kleurmutaties die, ieder voor zich in staat zijn de aanmaak van de beide typen geel psittacine, die in de bevedering van de groene grasparkiet voorkomen, volledig te blokkeren, wat een optisch blauwe kleur tot gevolg heeft. Ze worden als blauwfactor 1 en blauwfactor 2 aangeduid.
Het feit dat beide blauwmutaties in staat zijn de productie van beide typen psittacine te blokkeren, toont aan dat beide gele pigmenten - dus zowel het gewone gele psittacine alsook het fluorescerende gele psittacine - chemisch aan elkaar verwant zijn en dus gelijkwaardige ontwikkelingstrappen ondergaan in hun biochemische route.

PsittacinereductieMutaties die reductie van het psittacine veroorzaken hebben bij de grasparkiet tot verschillende verschijningsvormen geleid.
Bij de zogeheten Australisch geelmasker is de psittacine-ontwikkeling in de bevedering van het masker vrijwel gelijk aan die van de vogels in de groenserie. In de lichaamsbevedering is de psittacinereductie vrij sterk. Qua uiterlijk ziet de dubbelfactorige Australisch geelmasker eruit als een overwegend blauwe vogel met een goudgeel masker. Vaak echter zullen in de uitgekleurde blauwe veervelden nog sporen van geel psittacine aangetroffen worden. Ook in de dwarsbanden van de secundaire staartpennen is de psittacinereductie gering en wordt het gele pigment in verschillende gradaties aangetroffen.

Bij de kleurslag turquoise (in het verleden sprak men van geelmasker mutant 2) is er sprake van een totale beletting van psittacine in de haakjes. De haakjes zijn dus kleurloos. De baarden van de lichaamsbevedering bevatten wél psittacine, doch de concentratie ervan is als gevolg van de werking van de turquoise-mutatie zwakker. Er wordt dus slechts een gereduceerde hoeveelheid geel psittacine aangemaakt, met als resultaat dat we de lichaamskleur van deze mutatie als turquoise (groenachtig blauw) waarnemen. Hetzelfde verschijnsel zien we in de maskerbevedering, zodat ook de kleur van het masker lichter geel is dan bij de normaal groenen.
Ook in de secundaire staartpennen wordt slechts een gereduceerde hoeveelheid psittacine aangemaakt, zodat de dwarsbanden van de secundaire staartpennen lichter geel tonen dan die van de Australisch geelmasker.

Dubbelfactorige Australisch geelmaskers en dubbelfactorige turquoises zijn in staat geel psittacine aan te maken in juist die veervelden van de grasparkiet waar onder UV-licht het gele psittacine fluorescentie vertoont. Het ligt dan ook voor de hand te veronderstellen dat het geel wat we in deze veervelden zien uitsluitend het fluorescerende gele psittacine is. Klaarblijkelijk zijn de dubbelfactorige Australisch geelmaskers en de dubbelfactorige turquoises alleen in staat fluorescerend geel psittacine aan te maken en kunnen ze geen gewoon geel psittacine meer produceren.

De dubbelfactorige Australisch geelmasker en de dubbelfactorige turquoise zijn - niet zoals men in het verleden dacht - vogels uit de groenserie waarbij geel psittacine was weggevallen of blauwe vogels waaraan juist geel psittacine was toegevoegd, maar zelfstandige intermediaire vormen, die qua kleur tussen groen en blauw staan. De kleur is immers niet volledig blauw noch volledig groen. Met de term ”par blue” slaan de Engelsen de spijker op de kop.

Nog een ander heel bijzonder geval van psittacinereductie mag hier niet onvermeld blijven.
Dubbelfactorige blauwfactor-1-vogels tonen blauw evenals dubbelfactorige blauwfactor-2-vogels. Er is geen optisch verschil. Beide blauwfactoren blokkeren immers de aanmaak van zowel het gewone gele psittacine als het fluorescerende gele pigment. Wordt er nu een blauwmutant 1 met een blauwmutant 2 gekruist, dan tonen alle F1-individuen een bleekgeel masker en zijn ook de dwarsbanden in de secundaire staartpennen bleekgeel; de algemene lichaamskleur is nagenoeg blauw. E.e.a toont aan dat de enkelfactorige blauwfactor 1 en de enkelfactorige blauwfactor 2 samen niet in staat zijn de aanmaak van psittacine volledig te blokkeren, een vermogen dat ze ieder afzonderlijk in dubbelfactorige toestand wel bezitten. Uit de combinatie blauwfactor 1 en 2 komt echter geen geelmasker. De verschijningsvorm wordt immers niet beheerst door geelmaskerfactoren, maar is slechts een bijproduct dat voortvloeit uit de wisselwerking tussen twee verschillende blauwfactoren, dus moeten we hem ook geen geelmasker noemen. In Australië wordt deze mutatiecombinatie wel crèmemasker genoemd, een treffende benaming, die wat mij betreft ook hier ingevoerd mag worden. Bovendien leidt het af van de gedachte dat de geelmaskermutatie er iets mee te maken heeft.
Harrie