PDA

Bekijk Volledige Versie : Rode steenpatrijs



J.J.
03-11-2008, 21:31
Hallo,

heeft iemand (kweek)ervaring met de rode steenpatrijs (Alectoris rufa)? Zijn het sterke vogels, op welk soort voer doen ze het beste, zijn ze gevoelig voor bepaalde ziektes, broeden ze zelf en zo ja waarin etcetc?
Ik heb me al een beetje ingeleze via internet, maar ik ben benieuwd naar persoonlijke ervaringen.

Henk3
04-11-2008, 01:21
Uit “Onze Vogels” van 1962

De Hoenderachtigen van Europa

Het hazelhoen.

Deze bosvogel ter grootte van een patrijs heeft een vrij lange staart en een klein kuifje. De hoofdkleur is rossig-bruin en een zwarte keelvlek, afgezet met een witte streep. Het verspreidingsgebied is Centraal Europa en de Balkan, gedeelten van Scandinavië, Finland en grote delen van Rusland.

Zij bewonen daar loofbossen met veel onderhout en een rijke bevolking met mieren. Het voedsel is weinig anders dan dat der andere soorten, maar dierlijk voedsel speelt in het zomerjaargetijde een grotere rol. In de winter leven ze meer in de bomen dan op de grond en doen zich te goed aan allerlei knoppen. Veel kleine zaden staan ook op menu. Graan wordt slechts een enkele keer opgenomen. Kuikens uitsluitend dierlijke kost. Nest als alle andere hoenders in dichte dekking. Acht tot tien eieren, die op een rood-achtige ondergrond een tekening vertonen van erg kleine puntjes en vlekjes. Deze zijn licht bruin. Broedduur 21 tot 22 dagen. Niet Nederland, wel in België, maar gaat achteruit. Waarschijnlijk doordat gemengde bossen vervangen worden door eenzijdige naaldbossen zonder onderbegroeiing. Leven monogaam.

Als we kunnen voldoen aan de voedselbehoefte van deze dieren, dan zijn ze, door hun geringere afmetingen, geschikt voor de volière. Dikke en stevige roesttakken moeten aanwezig zijn.

Phasianidae

Beter voor de volière, omdat ze minder veeleisend zijn, wat voedsel betreft, zijn de Phasianidae. Voedsel, levenswijze, broeden, verzorging der jongen en volièreverzorging zijn voor de patrijzen binnen deze groep vrijwel gelijk. Verschil bestaat er wel in de gehardheid voor ons klimaat en de kleur en tekening van de vogels en de eieren. Omdat we in dit blad reeds een artikel aan het opkweken en verzorgen van partijzen hebben gewijd, gaan we dus op al deze bijzonderheden niet nader in en bepalen we ons tot de beschr-ijving en het verspreidingsgebied en enkele opmerkingen. Allereerst kennen we de

Steenpatrijs.

Heeft een witte keelvlek en deze is omzoomd met een effen zwarte band. De bovenkop is grijs. Is in Europa beperkt tot Italië, Albanië en Griekenland. En natuurlijk scheidt dit niet op de lands grenzen. Ook op Sicilië. Vogel van de bergen, die ook tussen de rotsen nestelt. In de volière moeten we kunstrotsen aan brengen. Wordt erg weinig gehouden.

Barbasijse Patrijs.

Grijze keelvlek, die zich uitstrekt tot boven het oog. Schedeldak bruin, gele oorpluim en de vlek afgezet met een bruine band, waardoor Witte streepjes lopen. Verspreiding beperkt tot Gibraltar en Sardinië. Buiten Europa slechts in Oostelijk deel van Noord-Afrika, tot aan Sahara. Deze vogel houdt zich bij voor keur op in struikgewas, bedekte heuvels en woestijnachtige streken.

Rode Patrijs.

Deze soort is meer bekend omdat ze haar verspreidingsgebied geheel in Europa heeft en wel Spanje, Sardinië tot in Midden-Frankrijk en Engeland en een smalle strook langs de kust van Noord Italië. Bovendien kan men ze ook in België in gering aantal aantreffen, want daar is ze uitgezet voor de jacht. Vooral in de omgeving van Luik, echter met weinig succes. In Enge-land is deze vogel ook op die manier terecht gekomen, maar daar doen ze het wel goed.

Leeft bij voorkeur op droge terreinen. Van bovenstaande drie soorten moet gezegd worden dat ze rode poten hebben. (De rode patrijs lijkt zeer veel op de Steenpatrjs, de keelvlek is echter omzoomd met een zwarte band en deze weer met een getekende zwart-wit gestreepte kraag). En men mag zeggen dat ze veel gevoeliger zijn voor ons minder warme en nattere weer, zodat de kweek in de volière maar al te dikwijls op een teleurstelling uitloopt. Voor al de kuikens zijn erg moeilijk groot te brengen. In een doelmatige volière zijn de oude vogels wel te houden.

De Patrijs.

Aan deze vogel besteedden we reeds onze aandacht in een afzonderlijk artikel. Rest nog te vermelden dat er in de veengebieden van Oost-Nederland een donkerder ondersoort voorkomt nl. de Veenpatrijs. Ook in aansluitende gebieden in Duitsland.

De Kwartel.

Dit patrijskleurige hoentje met de markante streeptekening aan de kop heeft een verspreidingsgebied dat vrijwel geheel Europa en grote delen van Afrika en Azië bestrijkt. De hogere breedten worden gemeden. Voor de koptekening mogen we vergelijken met de Virginische Kwartel (een Amerikaan) die aan de meesten misschien beter bekend is dan onze eigen inheemse vogel. (Eigenlijk een absurd verschijnsel dus). Dit komt mede door het feit dat de vogel erg schuw is, niet gauw op de vleugels gaat en de meeste jaren erg zeldzaam is. Bij voorkeur houdt hij zich op in korenvelden en hooiland.

Omdat deze vogel bescherming geniet is houden in de voliere dus verboden, wat geheeel te rechtvaardigen is, en ziet men hem zelden. Vroeger was dit een algemeen Brantse kooivogel (overigens in veel te kleine verblijven) als een soort mascotte. Voedsel: kleine zaden, groen en insecten.

Trekvogel, in tegenstelling tot de patrijzen die standvogel zijn. In Belgie uitgezet, om de stand te verbeteren. Het nest wordt in de vegettatie gemaakt en bevat rond de tien olijfkleurige eieren.

Henk3
04-11-2008, 01:22
De Vechtkwartel.

Verschilt van vorige doordat de borst roestkleuriger, de koptekening niet aanwezig is en de zijborst donkere vlekken vertoont. Is in Europa beperkt tot Zuid- Spanje en Zuid-Portugal. Een vogel van woeste terreinen met veel kreupelhout. Blijft ook erg lang in de dekking. Als volièrevogel vrijwel niet in trek.

De Fazanten.

We spreken opzettelijk van fazanten omdat er niet één ras van de Bosfazant, maar meerdere onze velden bevolken. Om er enkele te noemen: de Zwartnek (Ph. c. colchius), Chinese ringnek (Ph. c. torquatus), Mongool-fazant (Ph. c. mongolicus), Versicolor (Ph. versicolor) en Tenebrosus. Hiervan zijn dan nog opzettelijke kruisingen het veld in gebracht en daarnaast zijn er ook nog kruisingen ontstaan in het vrije veld. Algemeen bekend is de opvallende geslachtelijke dimorphie: het prachtige veren kleed van de haan tegen het bruin zandkleurige kleed van de hen. Komen thans in Nederland en overig Europa in vrijwel ieder terrein voor: duinen bossen, bouwland, weidestreken en zelfs schorren. Worden nog steeds uitgezet en zeer goed verzorgd en wel door bijvoedering en beperkt hennenafschot. Het is door deze maatregelen dan ook niet te verwonderen dat de meeste orni-thologen er nog steeds vanaf zien deze vogel als een inheemse te beschou-wen. Het is inderdaad een ingevoerde jacht vogel, maar hij zal toch al terugzien op een verblijf van meerdere eeuwen hier in de lage landen.

Het voedsel is gemengd: plantaardig en dierlijk. Vooral coloradokevers zijn hem niet onverschillig. De eieren zijn groter dan die van de patrijs en ook meer rond. Ze zijn eveneens ongevlekt en donker olijfkleurig. Het nest wordt op de bodem gemaakt op beschutte plaatsen in de dekking.

In de volière zijn ze allemaal erg goed te houden, mits het geen wildvang is. Zijn de Zwartnekken niet gemakkelijk te kweken, de andere soorten lenen zich daar beter voor als men pijnlijke zindelijkheid en hygiëne in acht neemt en een goed gevarieerd menu verstrekt. Met de tegenwoordige prima handelsvoeders is dit probleem niet zo groot, wel duur. Dierlijke bijvoedering is aan te bevelen. Ook veel groen. Broeden in de volière doen ze niet gemakkelijk, maar de productie is erg groot. Een haan kan tot 9 hennen bij zich hebben. Om goede broedeieren te kunnen rapen, kan men beter deze harem halveren. Een hen onder vindt wel eens last van een al te vurige minnaar. Twee geeft al genoeg afwisseling, om ongelukken te voorkomen. Dekking in het verblijf geeft de hennen de mogelijkheid om zich aan de attenties van de haan tijdelijk) te onttrekken.

Hier of in het buitenland loopt U de kans nog andere vogels te ontmoeten, die een sterk hoenderachtige indruk maken en het ook zijn of minstens er erg op lijken, Ze zitten in hetzelfde schuitje als de fazant: ze zijn hier voor de jacht uitgezette en mogen dus niet als Europeanen beschouwd worden. Om volledig te zijn willen we er echter even bij stil staan.

Fazanten.

In enkele jachtterreinen heeft men getracht Goud- of Lady Amherst fazan-ten te zetten. Deze prachtige vogels zijn echter als jachtvogel niet zo inte-ressant, mede om hun gering gewicht. Beter geschikt is de Koningsfazant, die veel zwaarder is, een snelle vlieger en zich beter in het veld kan hand-haven. Deze inburgeringspogingen zijn echter niet al gemeen. We mogen ze meer beschouwen als een poging om groter tableaux te krijgen van een goed in zijn geld zittende jachtbezitter.

Amerikaanse Kalkoen.

Deze heeft men hier en daar in Duits land uitgezet, ook alweer met het-zelfde doel: meer wild, en een gevarieerd jachtgenot en jachtschieten. Natuurlijk heeft men hiervoor niet de logge gedomesticeerde rassen geno-men, maar de echte wilde, the Wild Turkey, uit Noord-Amerika. Veel op-gang maken deze pogingen niet, al mag men niet vergeten, dat het met de ,,domme” kalkoen is, die is uitgezet. Als jachtwild zijn ze echt te waarderen, zeker aan tafel en als ze een paar keer beschoten zijn, weten ze .,hun plaats te kiezen”.

Bankivahoen.

Dit wilde boshoen, de voorvader van ons huishoen, in zijn wilde staat, is eveneens een aardige vogel. Er zijn ook in Nederland stemmen opgegaan om er uit te zetten, maar we weten niet of het inderdaad gebeurd is.

Ergens in Duitsland heeft een of andere ,,Revierhalter’ het ook gedaan met kruisingen van dit hoen. Hij stuurt ze het bos in met kuikens van andere boenders. bijv. korhoenders en maakt ze dan later wild door er een paar schoten hagel hoog overheen te schieten. Eigenaardig genoeg worden ze dan een weinig schuwer, maar vooral, ze brengen de pleegkinderen wild groot.

Virginische Kwartel.

Een plaats in Nederland weten we, waar een deskundig wildverzorger in opdracht van zijn baas, deze Amerikanen in volle vrijheid over het jachtterrein laten beschikken. Ze vermeerderen zich prima en zijn nog steeds de winters goed door gekomen. Deze winters waren echter zacht. Wat ze in een strenge periode zullen doen is dus niet te zeggen. Natuurlijk zal bijvoedering dan onontbeerlijk zijn. Het veld dient aangepast te worden aan deze dieren: hier en daar begroeiing met heesters en ruige plekken om in te broeden. De wettelijke status van dit en voorgaand wild is echter een moeilijk onderwerp: ze zijn niet in de jachtwet genoemd en genieten dus bescherming door de Vogelwet, maar deze spreekt van Europese vogels en dat zijn ze zeker niet. Zo iets kan dus alleen maar in goed bewaakte en verzorgde revieren. Er is tot heden toe nog geen jacht op gemaakt. Ieder jaar worden er nog bijgezet en spoedig zullen ze dus wel bezit nemen van de omringende streken. Wie weet gaan ze niet dezelfde weg op als de bosfazant. De eieren van deze vogels zijn wit. Broedtijd 23 dagen

Chukarpatrijs.

Inmiddels zijn in hetzelfde gebied Chukarpatrijzen uitgezet. Deze vogels uit India leven graag op rotsige bodem. Het is nog niet te zeggen, hoe ze zich in het veld zullen trachten te handhaven en of ze voor nakomelingen zullen zorgen.

Poriferus.

J.J.
04-11-2008, 18:11
Nee, dit artikel had ik inderdaad nog niet gevonden.
Henk3, bedankt voor dit stukje!

Heeft iemand misschien nog meer aanvullingen??

J.J.
13-11-2008, 21:30
Niemand persoonlijke ervaring met deze soort??
:confused: