PDA

Bekijk Volledige Versie : prachtrosella's



4Birdo
02-11-2008, 20:36
ik vroeg me af wat het ideale formaat is voor een kweekhok voor rosella's
ik zou graag volgend jaar een 2 tal koppels prachtrosella's willen aanschaffen maar ik vernam dat ze beter niet samen zitten.
dus dacht ik aan 2 kweekhokken, kan iemand me hiermee helpen?
en aan eventueel meer info in verband met kweek en gedrag.
op welke leeftijd zijn ze bekwaam?
ik ga volgend jaar een nieuwe voliere en kweekhok zetten (voliere: 3m L x 2m D x 3m H ,kweekhok is dezelfde afmeting en een kleine voliere ervoor.)
ik ga er kweekkooien zetten voor 3 koppels roodrugparkieten en 3 koppels roseicolli's
voor de onderste kooien ga ik 3 binnenvolieres zetten van 95 cm L x 70 D en erboven andere kweekkooien zetten
dus alle info is welkom.

Henk3
02-11-2008, 20:48
http://www.ton-albers.nl/nestkastjes.htm

http://home.quicknet.nl/qn/prive/pjm.witteman/

Succes.

Henk3
03-11-2008, 10:45
Nog een mooi linkje:
http://members.home.nl/j.dasiman/BellyOnline/pracht_rosella.htm

Naar onder scrollen.

Henk3
04-11-2008, 01:24
Uit “Onze Vogels” van 1957

De Prachtrosella (Platycercus Splendidus)

In een vorig artikel heb ik melding gemaakt van eigen ervaringen met de Stanley rosella’s, waarbij in het bijzonder aandacht werd besteed aan de kweekresultaten. Het is de bedoeling in dit opstel een beschrijving te geven van de prachtrosella om op deze wijze nog ‘ns speciaal de aandacht te vestigen op deze fraaie vertegenwoordiger van de groep der platstaartparkieten en hem de plaats in de harten der parkietliefhebbers te geven, die hem als volièrevogel toekomt.

Het is niet eenvoudig om nauwkeurig de kleurenpracht van deze vogels te beschrijven: praktisch alle kleuren zijn vertegenwoordigd, waarbij vooral het scharlaken rood van kop, hals en het bovenste deel van de borst, alsook van de onderstaartdekveren domineert. Het onderste gedeelte van de borst is geel, de buik geel-groen, evenals de stuit. De buitenste grote slagpennen aan de vleugels zijn indigo blauw de staartpennen zijn blauwachtig groen, de buitenste meer blauw. De rug is bedekt met zwarte veertjes, omzoomd met geel-groene randen. Bij de pracht rosella zijn deze zoompjes goudgeel, bij de gewone rosella geel-groen tot groen. Tenslotte zijn de wang- vlekken bij deze rosella-soort helder wit.

De poppen zijn meestal iets tengerder van bouw, met kleinere kop en snavel en iets minder fel van kleur. In het algemeen is het sexe-verschil wel duidelijk bij volwassen vogels, vooral als men meerdere bij elkaar heeft, zodat men kan vergelijken, doch er zijn twijfelgevallen. In deze gevallen lette men op de enkele bruine tot groene veertjes rond de ogen en het groen van de nek met een smal streepje oplopend tot boven op de kruin, wat bij volwassen mannen nimmer het geval is.

Wat bouw en vorm betreft, lijkt de pracht rosella precies op alle andere rosella-soorten en ligt het verschil voor namelijk in de grootte, waarbij de Stanley en de Brown’s rosella aanzienlijk kleiner zijn, terwijl bv. de Pennant, Adelaide en vooral de Geelbuik rosella beduidend groter zijn. Het verschil zit dus hoofdzakelijk in de kleur, het z.g. patroon is bij alle soorten gelijk, denk bv. aan de wangvlekken die typisch zijn voor de rosella-groep. Bij de gewone rosella is de kleur wit, bij de Stanley geel, bij de Pennant en Geelbuik rosella blauw, etc. Ook de rugveren bevatten bij alle soorten hetzelfde patroon, nl. in het centrum zwart, hij de Pracht rosella met gele zoom, evenals bij de Bleekkop rosella, bij de Pennant rood, bij de Stanlev groen etc. Een gewone zwart-wit photo van een van de rosella-soorten heeft dan ook weinig zin omdat hierbij de kenmerkende onderlinge verschillen wegvallen.

De rosella’s vertonen overigens ook, vanzelfsprekend, dezelfde morphologische eigenschappen als alle andere parkieten soorten, waarbij de welbekende typische kenmerken van de papegaaiachtige vogels om zo te zeggen gelocaliseerd zijn aan de uiteinden”, nl. aan de kromme snavel en aan de poten, waarvan merkwaardigerwijze twee tenen naar voren en twee naar achteren gericht zijn, een eigenschap die bij geen enkele andere vogelsoort wordt aangetroffen.

Het verspreidingsgebied van de Prachtrosella is vrij beperkt, nl. in het Oostelijk gedeelte van Australië en daar uitsluitend, in het zuidelijk deel van Queensland en het noordelijk deel van New South Wales. De gewone rosella wordt ook veelvuldig aangetroffen in Victoria en op het eiland Tasmanië, Zelfs in Nieuw-Zeeland komen ze in het wild voor, doch men neemt aan dat ze in vroeger jaren daar geïmporteerd en los gelaten zijn. Het verspreidingsgebied ligt dus tot op een aanzienlijke afstand van de tropische zone, n.l. 47 gr. zuider breedte; op het noordelijk halfrond zou dit dus lopen over midden Frankrijk en Zwitserland,

Het praktisch ontbreken van papegaaiachtige vogels op het noordelijk halfrond buiten de tropische zone is overigens een merkwaardig verschijnsel, gezien het feit dat op het zuidelijk halfrond parkieten veelvuldig worden aangetroffen tot ver buiten de keer-kringen, b.v. op de Antipoden eilanden ten zuiden van Nieuw-Zeeland en in Patagonië en Chili tot aan de Straat van Magallaan; dit is dus even ver van de evenaar verwijderd als b.v. Denemarken. Dit echter even ter zijde.

Nu enkele eigenschappen die voor de vogelliefhebbers van praktisch belang zijn. In de eerste plaats kunnen de rosella’s zeer oud worden en zijn het zeer sterke vogels, wanneer ze eenmaal geacclimatiseerd zijn, een eigenschap die de hier in Europa gekweekte vogels van huis uit dus al mee hebben; ze zijn dan volkomen winterhard en kunnen zonder bezwaar ‘s winters in een buitenvolière gehouden worden, hoewel ik er de voor keur aan geef ze gedurende de nacht op te sluiten in een overdekt, tochtvrij nachtverblijf, indien ze niet uit zich zelf beschutting zoeken. Men kan dit de vogels leren door ze enige avonden achter een onder zachte dwang naar het binnenverblijf te jagen.

Voor broedvogel leent deze vogel zich uitstekend. Geeft men ze een volière apart, dan zullen ze vrijwel zeker na een of twee jaar tot broeden overgaan. Andere parkietachtige vogels worden niet in dezelfde volière geduld, dit geeft in het broedseizoen enorme vechtpartijen, waarbij zonder twijfel slachtoffers zullen vallen, doch alle andere vogelsoorten, als vinkachtigen, senegalvogels etc., zullen absoluut ongemoeid worden gelaten, de rosella’s nemen van deze niet de minste notitie, ook niet gedurende het broedseizoen.

Als broedgelegenheid verschaft men het beste natuurlijke broedblokken: uitgeholde boomstammen met een binnenmaatse diameter van 20 tot 25 cm. En een klimhoogte van 40 tot 50 cm., gemeten van het vlieggat tot de bodem, wel bij voorkeur enigszins hol is doch op een platte bodem zullen de eieren elkaar gehouden worden als er een laag zaagsel aanwezig is. Het broedblok wordt aan de binnenkant onder het vlieggat voorzien van een smal streepje gaas waarlangs de pop naar beneden gaat het nest te bereiken. Dit voorkomt breken der eitjes. Belangrijk is dat broedblok voldoende vocht bevat, omdat anders de eieren te veel indrogen men de jongen later dood in de dop aantreft. Het verdient daarom voorkeur broedblokken in de buitenvolière aan brengen zodat de regen erop kan vallen.

Enige tijd voor het aanbreken van broedseizoen, meestal in het vroege voorjaar, zal men zien dat het mannetje popje gaat voeren. Kort daarop begint de nestinspectie en ziet men de vogels beurtelings door het vlieggat in broedblok verdwijnen. De eigenlijke paring wordt veelal voorafgegaan door heftig jagen van het mannetje, waaronder luid gekwetter de gespreide staart driftig heen en weer geschud word. Korte tijd daarop kan men het een ei verwachten. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 tot 7 eieren, soms 7 tot 9. De eieren worden om de andere dag gelegd; meestal begint de pop het derde ei goed te broeden en na 19 dagen verschijnt dan het eerste jong.

Nu is de tijd aangebroken om het simpele dieet van de rosella’s uit te breiden om de groeiende jongen de noodzakelijke eiwitten en mineralen, nodig voor de bouw, te verschaffen. Buiten het kweek seizoen bestaat het dieet uit een mengsel van gelijke delen zonnepitten, haver, hennep, witzaad en millet. Tevens dagelijks een halve zoete appel per stel. Het groenvoer dieet dient nu uitgebreid te worden: vogelmuur, sla, andijvie. Ook graszaden worden gaarne genuttigd als er jongen zijn. Dierlijk voedsel is volgens mij overbodig, hiervan wordt praktisch niets genomen. Wel geef ik dagelijks nog wittebrood, geweekt met calcigenol (vitamine A en D plus calcium en phosphor). En dit is eigenlijk alles wat ze nodig hebben. De jongen zullen voortreffelijk opgroeien en na ruim een maand het nestblok verlaten om hun eerste kennismaking met de buitenwereld te maken. Enige tijd worden ze nog door de ouden gevoerd, een taak die alleen door de man volbracht wordt, voor het geval dat de pop met een tweede legsel bezig is, want van huis uit broedt de rosella twee keer per seizoen. Als men meerdere broedblokken aangebracht heeft en de weersomstandigheden zijn gunstig, dan zal het ook hier in dit klimaat geen uit zondering zijn dat de vogels nog een tweede legsel groot brengen.

Alles bij elkaar genomen is de Prachtrosella een parkietensoort, die bijzondere aanbeveling bij de vogelliefhebber ver dient. Hij zal, onvoorziene gebeurtenissen daargelaten, ruimschoots dividend uitkeren, het geen een pleister zal zijn op de wonde, ontstaan door de hoge aanschafkosten.

Dr. H.D. Groen